Kennisbank Strafrecht Correctionele Rechtbank Welke straffen kan de Correctionele…

Welke straffen kan de Correctionele Rechtbank opleggen?

Wanneer men het Belgische Strafwetboek erop naleest, zou men wel eens versteld kunnen staan van de straffen die worden beschreven in de wetsartikels. Gevangenisstraffen tussen de acht dagen en levenslange opsluiting, geldboetes in Belgische Franken, ontzettingen uit de rechten, … Vast staat dat het Strafwetboek, van 8 juni 1867, redelijk gedateerd is en dat voor een juiste straftoemeting en interpretatie ervan veel appreciatiemarge wordt gelaten aan de rechters.

Hetgeen hieronder volgt is een opsomming van verschillende mogelijke straffen. Deze zijn evenwel onderhavig aan bepaalde voorwaarden en zullen niet in alle gevallen toegepast kunnen worden. Om de juiste strafvork te kennen dient men steeds het toepasselijke wetsartikel van de tenlastegelegde feiten erop na te kijken.

Daarnaast zal de rechter met allerlei omstandigheden rekening kunnen houden zoals de persoonlijkheid van de beklaagde, zijn strafrechtelijke verleden, zijn schuldinzicht, zijn tewerkstelling en familiale omstandigheden, … Er zal steeds een moeilijke evenwichtsoefening gemaakt moeten worden tussen enerzijds het repressieve karakter van de bestraffing, en anderzijds de re-integratie van de beklaagde in de maatschappij.

1. De gevangenisstraf

Wie veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf zal deze straf moeten ondergaan in een penitentiaire instelling. Wie voor een wanbedrijf wordt veroordeeld, riskeert hiervoor een gevangenisstraf tussen de acht dagen en de vijf jaar. Wie voor een misdaad wordt veroordeeld, riskeert een opsluiting tussen de vijf jaar en levenslang.

Wanneer de beklaagde voorafgaand aan zijn veroordeling reeds een periode in voorlopige hechtenis in de gevangenis of onder elektronisch toezicht verbleef, wordt deze periode afgetrokken van zijn uiteindelijke straf.

Daarnaast zijn er vandaag de dag vele modaliteiten van toepassing op de gevangenisstraf zoals bijvoorbeeld het elektronisch toezicht, het penitentiair verlof, de uitgaansvergunningen, de voorwaardelijke invrijheidstelling, … De toepasbaarheid van deze modaliteiten is afhankelijk van de lengte van de gevangenisstraffen, met name of het totaal van de openstaande gevangenisstraffen meer of minder dan drie jaar betreft. Meer hierover vindt u terug onder het hoofdstuk 4. Strafuitvoering.

2. De geldboete

Wanneer iemand veroordeeld wordt tot een geldboete, dient deze een bepaald bedrag te betalen aan de Belgische Staat. De geldboete kan zowel op zich staan, als in combinatie met een vrijheidsstraf opgelegd worden.

De rechter zal het bedrag van de geldboete moeten bepalen, rekening houdende met de strafvorken die bepaald worden in het toepasselijke artikel van het strafwetboek. U dient er evenwel rekening mee te houden dat de geldboeten in het Strafwetboek nog vermenigvuldigd moeten worden met de opdeciemen, een factor die momenteel 8 bedraagt.

Voorbeeld:

Overeenkomstig art. 463 Strafwetboek wordt een gewone diefstal bestraft met een gevangenisstraf van 1 maand tot 5 jaar en met een geldboete van 26 euro tot 500 euro. Omgerekend met de opdeciemen bedragen te geldboetes van dit artikel nu € 208 tot €4000.

Wanneer u veroordeeld bent tot het betalen van een geldboete in een definitief geworden vonnis, zal u in principe enkele maanden later een uitnodiging tot betaling ontvangen van de Ontvanger van de Penale Boeten. Hierbij treft u ook een overschrijvingsformulier. Er bestaat steeds de mogelijkheid om een afbetalingsplan aan te vragen bij de FOD Financiën of de Dienst Penale Boeten.

Bij een geldboete wordt ook steeds een vervangende gevangenisstraf opgelegd, die uitgevoerd kan worden wanneer de geldboete niet betaald wordt.

3. De werkstraf

De werkstraf wordt geregeld door art. 37ter van het Strafwetboek en kan als alternatieve maatregel voor een gevangenisstraf of geldboete opgelegd worden (behalve in bepaalde uitgesloten gevallen). Belangrijk is dat hiervoor steeds de instemming van de beklaagde noodzakelijk is.

De werkstraf bestaat uit het uitvoeren van een aantal uren onbezoldigd werk ten bate van de gemeenschap.

De duur van de werkstraf schommelt tussen 20 en 300 uren doch kan tot 600 uren oplopen bij recidive.

Het uitvoeren van de werkstraf verloopt steeds in samenspraak met de probatiecommissie en een justitieassistent. Er zal rekening gehouden worden met andere verplichtingen zoals werk en school, zodat de uitvoering ervan ook mogelijk blijft wanneer dit gecombineerd moet worden (bvb. het uitvoeren van de werkstraf in het weekend of tijdens de vakantie).

De termijn om de werkstraf uit te voeren bedraagt één jaar. Wanneer de werkstraf niet of niet tijdig wordt uitgevoerd, kan steeds een vervangende gevangenisstraf of geldboete in de plaats komen. Deze worden reeds op voorhand, bij het opleggen van de werkstraf, bepaald. De probatiecommissie zal u evenwel eerst oproepen om te polsen naar de reden van de niet-uitvoering.

Overeenkomstig artikel 595 Wetboek van Strafvordering, wordt een werkstraf niet vermeld op het uittreksel uit het strafregister. U kan dus eventueel een blanco strafregister behouden. Let wel, wanneer er naast een werkstraf ook een geldboete als hoofdstraf wordt opgelegd verschijnt de geldboete wel op het uittreksel uit het strafregister.

4. De autonome probatiestraf

De autonome probatiestraf werd ingevoerd sinds 1 mei 2016 en kan als alternatief voor een politiestraf of correctionele straf opgelegd worden door de rechter. Belangrijk is dat hiervoor steeds de toestemming van de beklaagde vereist is.

De autonome probatiestraf houdt in dat de beklaagde zich gedurende een bepaalde periode – die minstens zes maanden en maximaal twee jaar bedraagt – aan bepaalde voorwaarden zal moeten houden.

5. De straf autonome straf onder elektronisch toezicht

Sedert 1 mei 2016 kan de rechter het elektronisch toezicht opleggen als autonome straf wanneer de feiten van die aard zijn dat ze gestraft moeten worden met een gevangenisstraf van maximaal 1 jaar. De rechter kan de veroordeelde onder elektronisch toezicht plaatsen voor een termijn tussen de 1 maand en 1 jaar.

Deze straf dient absoluut onderscheiden te worden van enerzijds het elektronisch toezicht als maatregel binnen de strafuitvoering, en anderzijds van het elektronisch toezicht in het kader van de voorhechtenis.

In elk geval zal de veroordeelde zich moeten houden aan volgende voorwaarden: geen nieuwe strafbare feiten plegen, een vast adres hebben en bij wijziging ervan het VCET (Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht) hiervan in kennis stellen, en tot slot de richtlijnen van het VCET opvolgen. De rechter kan ook bijkomende voorwaarden opleggen.

Het toezicht op het elektronisch toezicht wordt toevertrouwd aan het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht of VCET. Zij bepalen tussen welke uren de betrokkene zich buiten de woning mag begeven, bijvoorbeeld om te gaan werken.

Indien het elektronisch toezicht voor een periode van langer dan drie maanden wordt opgelegd, kan er na één derde om een schorsing gevraagd worden aan het Openbaar Ministerie.

6. Het uitstel en de opschorting

Wanneer een rechter overweegt bepaalde straffen op te leggen, zoals een gevangenisstraf of een geldboete, kan in bepaalde gevallen om de gunstmaatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging of de opschorting van de straf gevraagd worden.

– De opschorting van straf

Wanneer de beklaagde voordien nog niet veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van meer dan 6 maanden, kan hij de rechtbank verzoeken om een opschorting van de straf. De rechtbank acht de beklaagde dan schuldig, maar legt geen straf op. Deze opschorting wordt gekoppeld aan een proefperiode van 3 tot 5 jaar waarbinnen de betrokkene geen nieuwe strafbare feiten mag plegen.

Wanneer ook andere voorwaarden opgelegd worden, zoals het volgen van een behandeling voor een verslavingsproblematiek of het behouden van een tewerkstelling, spreekt men van een probatie-opschorting. Men dient dan bijkomend de opgelegde probatievoorwaarden na te leven binnen de opgegeven proefperiode.

Wanneer de voorwaarden niet nageleefd worden of er worden nieuwe feiten gepleegd, kan de zaak terug voor de rechtbank gebracht worden zodat de rechter alsnog een straf kan opleggen voor de feiten.

– Het uitstel van de tenuitvoerlegging

Wanneer de beklaagde voordien nog niet werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan 12 maanden, kan hij de rechtbank verzoeken om de straf – geheel of gedeeltelijk – met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen. Er wordt dan een straf opgelegd, maar deze wordt – geheel of gedeeltelijk – niet uitgevoerd zolang de beklaagde geen nieuwe strafbare feiten pleegt binnen de opgelegde proeftermijn van 3 tot 5 jaar.

Er kunnen ook andere voorwaarden gekoppeld worden aan het verlenen van het uitstel, zoals het volgen van een behandeling voor een verslavingsproblematiek of het behouden van een tewerkstelling. Men spreekt dan van een probatie-uitstel. De betrokkene dient dan bijkomend de opgelegde probatievoorwaarden na te leven binnen de opgegeven proefperiode.

Wanneer de voorwaarden niet nageleefd worden of er worden nieuwe feiten gepleegd, kan de zaak terug voor de rechtbank gebracht worden zodat de straf alsnog effectief kan worden opgelegd.

7. De verbeurdverklaring

De rechtbank kan de verbeurdverklaring bevelen van bepaalde goederen als bijkomende straf. Dit betekent dat de betrokkene het eigendomsrecht op deze goederen verliest, en dat de goederen toekomen aan de Staat.

Een verbeurdverklaring kan uitgesproken worden voor volgende goederen en voorwerpen:

  • Goederen die het voorwerp van het misdrijf uitmaken (bijvoorbeeld verdovende middelen, kinderpornografisch materiaal, …)
  • Goederen die gediend hebben of bestemd waren voor het plegen van een misdrijf (bijvoorbeeld een kniptang om een diefstal te plegen, een auto of gsm die gebruikt werd om drugs mee te leveren, …)
  • Goederen die uit het misdrijf voortkomen (bijvoorbeeld nagemaakte bankbiljetten, …)
  • Vermogensvoordelen die voortspruiten uit het plegen van een misdrijf (bijvoorbeeld de winst die een drugsdealer heeft gemaakt.

Wanneer deze vermogensvoordelen niet onmiddellijk teruggevonden kunnen worden bij de beklaagde, kan de rechter ook de verbeurdverklaring ‘bij equivalent’ uitspreken. Dit wil zeggen dat de rechter de gemaakte winst kan ramen, en een geldbedrag verbeurd kan verklaren dat overeenstemt met deze geraamde winst. Dit vloeit voort uit het principe dat criminaliteit nooit mag lonen.

De verbeurdverklaring moet steeds schriftelijk gevorderd worden door het Openbaar Ministerie. Zij dient ook het bewijs te leveren van de criminele oorsprong van de goederen die zij vordert verbeurd te verklaren. Enkel op haar verzoek kan de rechtbank een verbeurdverklaring uitspreken. De rechtbank is hiertoe echter niet verplicht. In sommige gevallen zal het recht op eigendom zwaarder kunnen doorwegen dan de noodzaak tot verbeurdverklaring.

Soms kan het gebeuren dat de verbeurdverklaring wordt gevorderd van een goed dat geen eigendom is van de beklaagde, maar wel van een derde. Denk bijvoorbeeld aan een zoon die de wagen van zijn vader gebruikt om feiten te gaan plegen. Het Openbaar Ministerie kan dan de verbeurdverklaring van de wagen vorderen. Als eigenaar van een goed heeft men echter steeds mogelijkheden om mee in de procedure betrokken te worden en om zich te verzetten tegen de verbeurdverklaring van zijn eigen goederen.